Op papier was het een goede week. Je project ligt op schema, je presentatie viel goed en een collega bedankte je voor je hulp. Toch zit je vrijdagavond op de bank en voel je vooral leegte. Je bent moe op een manier die niet klopt met hoe goed het ging. In je hoofd ben je al bij maandag.
Waarschijnlijk zoek je de oorzaak bij jezelf. Ik moet beter plannen. Ik kan blijkbaar minder hebben dan anderen. Of ik moet er gewoon even doorheen.
Vaak kost je werk je zoveel energie juist omdat je het goed doet. Wie goed presteert, krijgt er meer van, houdt de kwaliteit overeind met extra inspanning en legt de lat steeds een stukje hoger. Dat gaat zo geleidelijk dat je het zelf meestal als laatste merkt.
De buitenwereld ziet iemand die verantwoordelijkheid neemt. Jij merkt vooral dat je het weekend nodig hebt om weer op te laden, dat je liever niet aan maandag denkt, of dat een mooie nieuwe kans vooral voelt als nóg meer van hetzelfde.
Kunnen en willen lopen ongemerkt uit elkaar
In de loop van je loopbaan word je steeds beter in bepaald gedrag. Vergaderen, beïnvloeden, controleren, organiseren, mensen geruststellen of knopen doorhakken. Door oefening word je er goed in. Hoeveel energie dat gedrag je kost, verandert daar niet vanzelf door.
Je kunt uitstekend leidinggeven en toch liever inhoudelijk werken. Je kunt sterk zijn in verbinden en tegelijk uitgeput raken van voortdurend afstemmen. Je kunt betrouwbaar alle details bewaken, terwijl je eigenlijk opbloeit bij vernieuwing en ruimte.
Werk kan prima bij je vaardigheden passen en toch botsen met de manier waarop jij van nature functioneert.
Reflact maakt daarom onderscheid tussen twee soorten kracht. Je prestatiekracht is wat je goed kunt, vaak ontwikkeld omdat het nodig was. Je natuurlijke kracht is gedrag dat je van nature makkelijk afgaat en dat je energie geeft. Hoe verder die twee uit elkaar liggen, hoe meer het werk je kost.
Wie lang vooral aangeleerd gedrag inzet, kan nog steeds uitstekend presteren. Alleen betaal je de rekening later. Je wordt minder nieuwsgierig, je geduld wordt korter, je neemt minder initiatief en uiteindelijk ontstaat er afstand tot je werk.
Hoe ik dit zelf ken
Ik ken dit ook van mezelf, uit de tijd dat ik werkzaam was als HR-manager. Ik was vrij, maar mijn hoofd ging gewoon door. En lukte iets goed, dan legde ik de lat de volgende keer weer een stukje hoger. Niemand vroeg me dat.
Vier signalen die meer zeggen dan een slechte week
- Je herstelt steeds langzamer van gewone werkdagen.
- Werk dat je goed kunt, roept vooral weerstand op.
- Nieuwe verantwoordelijkheden voelen eerder als last dan als groei.
- Je denkt vaak aan iets anders, maar kunt niet benoemen wat dan wel.
Geen van deze signalen betekent dat je van baan moet wisselen. Ze laten wel zien dat je in beweging moet komen.
Wat een leidinggevende niet altijd ziet
Als HR-manager zag ik dit ook regelmatig bij anderen. De medewerkers die vastliepen, waren zelden mensen die te weinig konden. Vaker waren het mensen die veel konden en zichzelf daarbij vergaten. Hun leidinggevenden zagen de prestaties. Die waren goed. Wat ze meestal niet wisten, is wat iemand had moeten opofferen om ze te leveren. De extra avonden, de overgeslagen pauzes en het piekeren staan nergens in het project dat je hebt opgeleverd.
Ben je leidinggevende, vraag dan ook naar wat er onder het resultaat zit. Met deze vragen begin ik zelf ook altijd:
- Wat kost je steeds meer moeite? Zijn het bepaalde taken, de verwachtingen of de gesprekken?
- Wat doe je om het bij te houden? Werk je langer door, sla je pauzes over, neem je werk van anderen over of blijf je thuis piekeren?
- Hoe voel je je na een vrije avond of een weekend?
- Hoe lang speelt dit al?
Daag mensen daarnaast af en toe uit op andere kwaliteiten dan waar ze al goed in zijn. Een nieuwe uitdaging waar iemand zich in kan vastbijten, geeft vaak meer energie dan nog meer van hetzelfde.
Ben je zelf medewerker, dan kun je dit gesprek ook zelf beginnen. Je leidinggevende ziet je resultaat. Wat het je kost, kan alleen jij vertellen.
Eerst onderscheid maken, dan kiezen
De snelste conclusie is vaak: ik heb een andere baan nodig. Soms klopt dat. Voordat je vacatures opent, helpt het om drie dingen uit elkaar te halen:
- De rol: passen de verantwoordelijkheden en je dagelijkse taken bij je?
- De omgeving: passen het tempo, de cultuur, de vrijheid en de manier van samenwerken?
- Jouw patroon: welk gedrag blijf je inzetten, ook als niemand daar expliciet om vraagt?
Zo voorkom je dat je een nieuwe functie kiest die er anders uitziet en toch hetzelfde van je vraagt.
Een goede volgende stap hoeft niet groot te zijn. Misschien bespreek je andere verantwoordelijkheden, onderzoek je een interne overstap of stop je met automatisch alles op je te nemen. Richting ontstaat zodra je kunt uitleggen wat je energie kost, waarom dat zo is en wat er anders moet. Dat begint met een week goed kijken.